Petanque vereniging

Gelre

Kretologie

Avoir l'avantage: (de voordeelsituatie hebben) Hierbij heeft u meer boules dan uw tegenstander, of bij een gelijk aantal heeft u een punt op het terrein liggen.
Bâtard: Een punt dat niet goed maar ook niet slecht is. De tegenstander aarzelt of hij zal schieten of niet.
Biberon: Hierbij liggen boule en but tegen elkaar aan.
Bien joué: Mooie bal, goed gespeeld.
Bouchon: Andere naam voor but.
Boule: (bal, bol, kogel) De metalen bal waarmee petanque wordt gespeeld.
Boule de fort: Een variant van jeu de boules uit het Maine-Loiregebied.
Boules collées: (kleefballen) Boules die helemaal tegen elkaar liggen.
Boules: (gladde boules) Boules die geen groeven hebben.
Boules quadrillées: (ruwe boules) Boules met veel groeven.
Bouliste: Een jeu de bouler.
Boulodrome: Jeu de boules-speelterrein of overdekte accomodatie.
Boulomane: Een jeu de boules-liefhebber.
But: (doelballetje, mikballetje) Het kleine houten balletje dat bij petanque als doel dienst doet.
Carreau: Na het tireren ligt de geworpen boule op de plaats van de geraakte boule.
Cochonnet: Andere naam voor but.
Couloir: De haag gevormd door toeschouwers.
Demi-Portée: Het pointeren van een boule zo dat deze halverwege de werpcirkel en het but neerkomt en verder rolt.
Donnée: Plaats op het terrein waar de boule neerkomt.
Doublette: Een team dat uit twee spelers bestaat.
Faire les mains: Twee tegen een spelen.
Fanny Embrasser, baiser of faire Fanny: Uitdrukkingen die gebruikt worden als je een partij met 0-13 verliest en Fanny's billen moet kussen.
Fuser: Een boule die wegrolt, na over een obstakel gegleden te zijn.
Gagner le point: (het punt winnen) Een boule dichterbij leggen dan die van de tegenstander.
Gari: Andere naam voor but.
Provençal: Een spel dat op petanque lijkt en gespeeld wordt op een terrein van 15 x 21 m.
Men pointeert op één voet. Tireren gaat met een aanloop van drie passen vanaf de werpcirkel.
Jouer sur main: (bovenhands spelen) Spelen met de rug van de hand naar de grond gekeerd.
Lyonnaise: Ook wel jeu de boules genaamd. Is een spel met grote boules.
Marquer les boules, le but: (het but of de boules markeren) Twee streepjes die elkaar kruisen en op het terrein onder de boule of het but getrokken worden om zo de plaats ervan aan te geven.
Mêne: (werpronde) De periode vanaf het werpen van het but tot het moment waarop de laatste boule geworpen is en waarna het but opnieuw moet worden geworpen.
Milieu: De "middelste speler' in een triplette, die zowel plaatsen als schieten kan.
Pailler: Meten met een takje of een strootje.
Palet: Een palet behalen betekent een carreau maken.
Petit: Andere naam voor but.
Pointeur: Een plaatser.
Portée: Een worp van een boule die dicht bij het but neerkomt.
Rond: (werpcirkel) De cirkel die men op het terrein trekt en waarin men moet staan wanneer boule of but worden geworpen.
Sport-boules: Een variant van jeu de boules uit de omgeving van Lyon.
Stries: (groeven) De lijnen die in de boule zijn gegraveerd.
Tetard: Andere naam voor biberon.
Tête á tête: Eén tegen één. Elke speler speelt met drie boules.
Tirer: (tireren) Een boule of but raken met de bedoeling deze in een andere positie te spelen.
Tireur: Een speler die voornamelijk schiet.
Tourner une boule: Links of rechts effect geven, zodat de boule een bocht naar links of rechts maakt.
Triplette: Een team dat uit drie spelers bestaat. Elke speler speelt met twee boules.
Werpcirkel: Cirkel waar vanuit gegooid wordt en waar men dan met beide voeten in moet staan.