Petanque vereniging

Gelre

Werptechniek

Worpen voor pointeurs

Zowel bij het staand als bij het gehurkt plaatsen is de beweging hetzelfde, slechts de houding van de benen is verschillend.

 

De uitgangshouding is als volgt: 

staand.gif- de voeten staan zoals beschreven bij basistechniek
- het been aan de kant van de werparm wijst in de richting waarin gespeeld wordt.
- de knie kan als richtingswijzer worden gezien.
- de romp is zo recht mogelijk, bij een donnée dicht bij de cirkel is de romp licht gebogen.
- de balvoering is zoals beschreven bij basistechniek.

Het belangrijkste van de beweging is dat deze harmonisch is. Alle onderdelen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn, zodat de worp één vloeiende beweging is.
De achterzwaai moet zo ruim mogelijk zijn. Ook in de voorzwaai (uitzwaai) moet de arm de beweging voltooien. Er mag geen abrupte stop in de beweging zitten.
Deze uitzwaai brengt de arm tot voorbij de horizontale lijn. De romp moet tijdens deze beweging nagenoeg rechtop blijven.
In de voor- cq. achterzwaai draaien de schouders in, (in de richting van de werparm). Bij een rechtshandige speler zal dus de rechter schouder, in de uitzwaai ten opzichte van de linkerschouder naar voren komen.

De beweging is als volgt:
- Een ruime achterzwaai, waarbij de balansarm de werparm volgt.
- Een voldoende voorzwaai.
- Na het loslaten van de bal wijst de hand de bal na.
- De handpalm is parallel aan de baan van de bal.
- Tijdens de zwaai wordt de pols ingeschakeld.

Aan het eind van de achterzwaai is de pols naar de binnenkant van de arm gebogen.
Tijdens de zwaai corrigeert de balansarm het evenwicht.
Naast de uitgangshouding is ook de keuze van de worp belangrijk, spelen we hoog of spelen we laag of daar tussenin?

Er zijn grofweg drie manieren om te plaatsen.
1. Rollende bal plaatsen
2. Halfhoge bal gooien (demi- of halfhoge portée)
3. Hoge bal gooien (portée-complête of volledige portée)

Rollende bal plaatsen
De bal wordt bij deze worp gehurkt of half voorovergebogen gespeeld. Bij het rollen raakt de bal binnen een afstand van 2 tot 5 meter van de werpcirkel de grond (op de donnée), waarna de bal zo dicht mogelijk naar het butje rolt. Voor deze worp is het belangrijk dat de baan goed bekeken wordt, daar er veel onregelmatigheden op de baan kunnen voorkomen.

Halfhoge bal gooien (demi-portée)
Bij de lage gooi wordt de bal met een boog gegooid zodat de bal halverwege de werpcirkel en het butje de grond (op de donnée) raakt. Hoe hoger je de bal gooit, hoe korter de bal zal uitrollen. Het uitrollen wordt ook bepaald door de bodemgesteldheid. Bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrold) belangrijk.

Hoge bal gooien (portée)
Bij een hoge gooi wordt de boule zeer hoog in de lucht gegooid zodat de bal bijna verticaal naar beneden valt. De bal raakt de grond (op de donnée) op minder dan 1 meter van het butje. Ook bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrolt), vooral bij harde ondergrond, belangrijk.

Worpen voor tireurs
Het schieten, meestal tireren genoemd is ook een basistechniek. Tireren is spectaculair maar vraagt opperste concentratie, vaardigheid en kracht. De beste tireurs zijn echter niet diegenen die het hardst gooien.
Het doel van tireren is het raken van de goed geplaatste bal van de tegenstander, zodat deze weggespeeld wordt.
De tireerbeweging moet soepel verlopen en het is een samenspel van een aantal factoren zoals lenigheid, coördinatie, behendigheid, kracht en snelheid.
De uitgangshouding komt overeen met die van het staand plaatsen, slechts de romphouding verschilt, deze is iets meer gebogen. Ook de beweging is vrijwel gelijk, hier ligt het enige verschil in het gebruik van de pols.
De pols wordt bij het schieten minder gebogen.
Bij het tireren is nog meer dan bij het plaatsen een harmonische beweging van belang.
Een heel geringe afwijking immers leidt al tot een misser, terwijl bij het plaatsen een afwijking van enkele centimeters een goede bal tot gevolg kan hebben.
Naast het schieten van ijzer op ijzer is er ook nog het schieten over de grond. Deze uitvoering is vooral geschikt voor zeer gladde terreinen en kan uitermate effectief zijn. Na een raak schot blijft je eigen bal vaak dicht in de buurt.
Er kunnen vaak makkelijk meerdere boules tegelijk worden weggeschoten. Dit laatste voordeel is meteen ook het nadeel, het is een zeer destructieve techniek waarbij een zorgvuldig opgebouwde situatie totaal verstoord kan worden. De kans op klossen (ballen die tegen elkaar aanspringen) is zeer groot.
Daarom moet je het zien als een uitbreiding op, en niet als een vervanging van het schieten op ijzer. Je moet het alleen gebruiken als er sprake is van balvoordeel.
Net als bij pointeren zijn er verschillende manieren om te schieten.

Schieten over de grond
. Slepend schieten
. Indirect schieten
Schieten op ijzer


Slepend schieten (lang over de grond)
Bij dit schot wordt de bal zo krachtig mogelijk gespeeld, waarbij de boule 3 tot 4 meter voor het doel de grond raakt. Het grote nadeel van dit schot is dat de speelbal alle onregelmatigheden van het terrein tegenkomt, waardoor er minder contole is. Het resultaat is dus zeker niet voorspelbaar.

Indirect schieten (kort over de grond)
Een van de meest voorkomende redenen dat tireurs de boule van de tegenstander missen is dat de boule over de tegenstander heen springt (met name bij harde banen). Om dit te voorkomen kan men het beste kort schieten. Laat de boule 20 tot 30 cm. landen voor de boule van de tegenstander. De aanvallende boule rolt door en ketst de tegenstander weg. Deze worp is alleen geschikt voor zanderig en vlak terrein. Zelfs het kleinste steentje kan er voor zorgen dat men het doel mist.

IJzer op ijzer schieten
Dit type schot wordt voornamelijk gebruikt op onregelmatig terrein. De bal van de tegenstander moet men recht in het midden raken, een schot op het ijzer dus. Dit is het moeilijkste schot, dat veel nauwkeurigheid vereist. De boule moet de tegenstander raken zonder de grond te raken. Het perfecte schot noemt men een "carreau".